De Brug

Donderdag, 4 juni 2020

Al het nieuws uit Kampen, IJsselmuiden e.o.

De Kampenaren van… De Groenestraat

De Kampenaren van… De Groenestraat
Foto: ‘De familie Sleurink brengt het hooi naar zolder'.
Redactie: Nick de Vries

Stadsgidsen Gerrit Eijlander en Harry van Dijk vertellen bezoekers van Kampen de bonte verhalen van onze stad. In deze rubriek laten zij de geschiedenis spreken en vragen ook uw medewerking. Veel Kampenaren kennen deze geschiedenissen nog zelf, dus tijd om ze op te halen. Wilt u uw verhaal kwijt over bv. de sigarenindustrie, Berk, de visserij, de oorlog, mail uw idee dan naar dekampenarenvan@gmail.com, bel 06-12128847 of bezoek ons op Facebook ‘de Kampenaren van…’

De laatste stadsboerenkinderen

We zijn op bezoek bij Wichert Sleurink, telg van een oude Kamper boerenfamilie en sinds 1956 woonachtig in een voormalige stadsboerderij, Groenestraat 114. Zijn familie woonde eerst in de Voorstraat en later op dit adres. Hij trad echter niet in de s poren van zijn voorvaderen, liever werd hij timmerman. De gemeente hield zich op de hoogte van zijn studie in verband met de ontwikkeling van het boerenbedrijf. Door voortschrijdend milieuoverlast, zoals stank, wilde men de stadsboeren uit de stad verwijderen. Er was geen ruimte meer voor hen, met hun dieren en boeren-activiteiten. Daardoor werd in de 50-er jaren de verhuizing van stadsboeren in gang gezet.
Uiteindelijk studeerde Wichert af aan de H.T.S. en werd bouwkundige. Hij is nu, met een buurman, de laatste van de stadsboerenkinderen in de straat. Wij volgen zijn verhaal.

Bijzondere historie
Burgers hadden al sinds de middeleeuwen weiderecht op de stadsweiden. Veel burgers hadden dan ook koeien. Later werd het recht beperkt tot één groep en hun mannelijke nakomelingen. Zij werden ‘Grootburgers’ genoemd. Dit kon ook voor veel geld aangekocht worden. De familie Sleurink deed dit in 1816. Er waren ook z.g. ‘Buitenburgers’, veelal Brunnepers met minder rechten. Voor de Grootburgers was er een boekje waarin de rechten en bepalingen stonden; o.a. moest men in de stad geboren zijn. Zij vormden een eigen kliek met een eigen, zeer rijk, weeshuis, en bezaten veel landerijen. Om grootschaliger te kunnen boeren, werden rond 1880 boerderijen in de straat gebouwd. Aan de westzijde woonden de stadsboeren, omdat aan de oostkant de tuinen van de Vloeddijk-woningen grensden.
Aan veel woningen is nog te zien dat er stadsboeren woonden. Kijk maar eens naar de ‘hooideurtjes’ op de eerste verdieping. Helaas zijn veel boerderijen afgebroken, of verbouwd tot garages, opslagplaatsen of bouwbedrijven. Een duidelijk voorbeeld is de oneigenlijke bebouwing vanaf het Linnenweverspoortje tot aan de Meeuwenweg en het plein bij Albert Heijn.

Unieke sfeer, families en regels

In vroeger tijden was er saamhorigheid onder de boeren, men zocht elkaar op en hielp elkaar. Had elkaar nodig bij het kalveren en hooien. Er werd veel onderling getrouwd, immers een boerendochter was het werk gewend. Ook werd er naar de bezittingen en het kapitaal/geld van de trouwen familie gekeken. Veel voorkomende families waren o.a. Sleurink, Fien, Schilder, Vos en Voerman. Bijvoorbeeld Jan Voerman de kunstschilder, was een boerenzoon, geboren bij het pleintje bij de Uiterwijksteeg. Ook bijzonder was de zgn. ‘aanspreker’ (uitvaartverzorger), die bij overlijden alle boeren langsging.


Wie waren, en wat deden die Groenestraat boeren?
Hun weiden lagen in het Boven-, Midden-, en Buitenbroek, naast wat ze zelf in eigendom of huurden van particulieren en instellingen. Deze broeken hadden enorme oppervlakten, van Venedijk tot Haatland. Tussen het plantsoen en de Broeken was een strook particuliere weilanden, de Maten genoemd. Daarna liepen de broeken tot aan de Zwartendijk. Omdat het onpraktisch was om zo te boeren ging men in de dertiger jaren de broeken verkavelen. Een stadsboer kreeg daarbij een kavel van 5 hectare. Zo stonden bijvoorbeeld de koeien van Wichert ’s moeder in een weiland waar nu de Van Ossstraat is.
Hoofdzakelijk werd er melk en boter verkocht. Vaak vanuit de boerderij en door te venten, wat meer opleverde dan wat de melkfabriek ervoor betaalde. Zoals Van Heel, die in de Molenstraat begon en later naar de IJsseldijk verhuisde. En de ‘Delta’. Ook aan de koemest werd verdiend. Gewoonlijk waren de koeien buiten van voorjaar tot half november. In de wintertijd werd de mest achter de stadsboerderij opgeslagen. Alle overbodige werd verkocht, waarvan veel naar de bollenvelden van Hillegom en Lisse ging. De mestvervoerders wachtten met hun schepen in de Burgel en IJssel. Enkele bekende mestschippers waren Tromp en Bruins. In de zomer was mestopslag verboden, waar door de politie op werd toegezien.

Het vertrek van de stadsboeren
Rond 1955 waren er nog ongeveer 78 boeren in de stad. Vanaf begin jaren 50 kon men gaan boeren op het Kampereiland, waar de boer zelf zijn huis en opstallen moest bouwen. Als een van de eersten vertrok de familie Vos uit de Vliersteeg naar de Pieper. Zij moesten het voor die tijd enorme bedrag van 40.000 gulden investeren, iets dat voor veel stadsboeren niet haalbaar was. Daardoor zag de gemeente Kampen al gauw de noodzaak ervan in om zelf de boerderijen en opstallen te gaan bouwen en verhuren. Door de grote inflatie in die tijd bleken de boeren die zelfgebouwd, hadden op rozen te zitten. Op Kampereiland kregen de stadsboeren boerderijen van 20 hectare. Die werden gevormd door land af te nemen van de bestaand, soms wel 40 hectare grote boerderijen.
Voor het aantal koeien dat een boer kon hanteren was de rekensom tien koeien voor één persoon. Werkte de vrouw mee dan kon men tot 20 gaan. Wilde men meer dan moest er een knecht of meid ingehuurd worden. Op het Kampereiland had een boer gemiddeld c.a. 30 koeien. De stadsboer 10 tot 15. Het grasland dat niet nodig was voor het weiden en hooien voor eigen koeien werd gehooid voor de verkoop. Het hooi was goed van kwaliteit en gewild in andere delen van het land en daardoor een grote bron van inkomsten. In de 1e wereldoorlog werd, ondanks onze neutraliteit, veel aan verdiend door de levering aan de Duitsers.

Door gebrek aan mogelijkheden gingen veel, jonge boerenzonen als boerenknecht werken. Veel va hen gingen, lang voor de 2e W.O., in Duitsland werken. Hier bleek de betaling en behandeling veel beter. Zoals een boerenknecht verwoordde: ..’ dat hij bij de boer aan tafel bij het gezin mocht mee-eten’; iets dat hier ondenkbaar was. Deze boerenknechten hadden dan ook in oorlogstijd vaak veel sympathie voor de Duitsers. Melkverkoop vanaf de boerderij en het venten werd echter later door de Duitse bezetter verboden. Je was boer of je was melkventer, beide uitvoeren mocht niet.

De laatste stadsboer
De laatste stadsboer [zie foto] was Theunis van Zuthem. Hij overleed in 2008.